Medewerkerstest

Over afhankelijkheid (verslaving) wordt veel gezegd. Iedereen kent wel iemand met een probleem.

Heeft uw medewerker een probleem?

Vind het nu uit. De test duurt maar enkele minuten!

Herkent u de volgende gedragskenmerken bij de medewerker?

 

1. Heeft regelmatig een dag afwezigheid zonder duidelijke reden.
2. Komt structureel te laat op werk of afspraken.
3. Verzet afspraken of komt deze niet na.
4. Vertoont stemmingswisselingen.
5. Is fysiek aanwezig, maar niet productief of functioneel.
6. Is betrokken bij verspilling, fouten of (kleine) ongevallen.
7. Is moeilijk aanspreekbaar of te controleren.
8. Levert teruglopende prestaties of kwaliteit van werk.
9. Ervaren spanningen of conflicten met collega’s.
10. Klagen over vermoeidheid of slecht slapen.
11. Gedrag dat duidt op onbetrouwbaarheid, zoals liegen of manipuleren.
12. Zondert zich af of ontwijkt contact met leidinggevenden.
13. Meldt zich vaak ziek met vage klachten (bijv. maag- en darmklachten.
14. Geeft aan een gespannen thuissituatie te ervaren.
15. Meldt of toont aanwijzingen van financiële problemen (zoals loonbeslag).
16. Bezoekt opvallend vaak de wc tijdens werktijd.
17. Toont grote schommelingen in productiviteit.
18. Gedraagt zich geheimzinnig (bijv. stiekeme telefoontjes, schermen van apparaten).
19. Toont grensoverschrijdend of ongepast gedrag (bijv. seksueel getint).
20. Ervaren problemen met justitie of rijontzegging.
21.

Vertoon van symptomen die wijzen op depressie of burn-out.

22. Is zonder duidelijke reden kort afwezig van de werkplek.
23. Tijdsverantwoording is onduidelijk of ontbreekt regelmatig.
24. Legt verantwoordelijkheid buiten zichzelf (slachtoffergedrag).
25. Toont buitensporig alcoholgebruik tijdens bedrijfsborrels.
26. Ontvangt klachten of geruchten over overmatig (alcohol)gebruik.
27. Gebruikt opvallend veel kauwgom of mint snoepjes.
28.

Heeft een geur van alcohol om zich heen.

29. Communiceert vijandig of heeft een defensieve houding.
30. Laat hygiënische verzorging verslonzen.
31. Vermijdt oogcontact in gesprekken of bijeenkomsten.
32. Heeft trillende handen zonder duidelijke oorzaak.
33. Heeft een lage frustratietolerantie of uit zich met woede-uitbarstingen.
34. Maakt gebruik van of bezit hulpmiddelen die duiden op drugsgebruik (buisjes, rietjes, opgerolde bankbiljetten).
35.

Toont actieve inzet voor persoonlijke ontwikkeling.